Putten

22 januari 2018

De laatste slag om de golfbal in de hole te krijgen is het putten. Deze slag bepaalt of de bal daadwerkelijk de hole in gaat of niet. U bent zeker een goede golfer wanneer u ook goed kunt putten. Ruim 40% van de slagen die u tijdens een 18-holes golfronde maakt, maakt u met een putter. Hieronder volgt uitleg over de stappen van het putten, de technieken, de swing en hoe u de green moet lezen.

Wanneer putten?

Putten doet u als de golfbal op de green ligt en soms als de bal net buiten de green ligt. Dat laatste kan als u denkt dat het gras tussen de bal en de green geen invloed heeft op het rollen van de golfbal. Of u buiten de green put, is een kwestie van eigen voorkeur.

Putten: de golf putting swing

Het is zeker belangrijk om het putten te leren en onder de knie te krijgen. Hoe goed u kunt putten, beslist hoe u bij elke hole uitkomt en maakt het verschil tussen een bogey en een birdie. Bij het putten is uw slag subtieler dan bij de Full Swing. De bewegingen zijn ook veel verfijnder. Om goed te kunnen putten moet u vooral veel oefenen. U moet uzelf het juiste gevoel aanleren en leren hoe u de green moet lezen. Natuurlijk is techniek ook onderdeel van het leren putten. Men noemt de slag ook wel de pendulum-slag, omdat de golfclub als een pendulum van een klok beweegt, ofwel als een slinger. Bij deze golfslag blijven uw ellebogen en uw polsen van begin tot eind op dezelfde positie.

De putting swing

  • Kijk om te beginnen goed naar de green, ofwel lees de green, om de juiste richting en snelheid te bepalen.
  • Het clubblad van de putter staat haaks ten opzichte van de lijn naar het doel. De schouders staan parallel ten opzichte van deze lijn.
  • Beweeg de putter ongeveer 25 centimeter vanaf de bal en sla dan.
  • U gaat ook 25 centimeter door met de downswing. Let erop dat de beweging van uw golfclub moet lijken op de beweging van een slinger van een klok.
  • De golfbal rolt heuvelopwaarts minder ver dan heuvelafwaarts.

Het belangrijkste met putten is controle van de afstand. U moet gaan voelen hoe hard u met de golfclub moet staan voor een bepaalde afstand. Probeer dat gevoel te krijgen door steeds verschillende afstanden te bereiken. Bepaal nadat u met een bepaalde slaglengte heeft geslagen steeds hoe ver de bal komt.

Putten: de golfclub

De laatste golfclub die u gebruikt bij het golfspel is de putter, uitgezonderd de keren dat u de bal met het chippen in de hole krijgt of zelfs een hole-in-one slaat. Het goed kunnen putten is een combinatie van meerdere vaardigheden. Belangrijk is onder meer het lezen van de green en het uitvoeren van de putting swing. Daarvoor heeft u een putter nodig die prettig aanvoelt en die de bal ook daarheen slaat waar u dat wilt. De meeste golfprofessionals spelen met meerdere putters in hun golftas, maar er zijn ook golfers die maar één putter gebruiken. Als u een beginnende speler bent, is het ook goed om met een enkele putter te spelen en daar gewend aan te raken. Daarna kunt u met andere putters verder gaan experimenteren. De putters zijn op maat gemaakt voor het specifieke doel dat zij dienen, namelijk het putten. De golfclub gaat u waarschijnlijk het meeste gebruiken voor het uitspelen van de hole en is ook bepalend daarbij. De club is dus absoluut de belangrijkste in uw golftas.

Eigenschappen van de putter:

De putter heeft in vergelijking met andere golfclubs de steilste positie van de shaft. Daardoor staat u dichter bij de golfbal met het putten. De grip van de club ligt meer diagonaal in de handpalm, terwijl bij andere clubs de grip meer horizontaal ligt.

  • De putter is over het algemeen van een zachter metaal gebruikt dan andere clubs. Hierdoor zijn ze kwetsbaarder voor doorbuiging en breuken. Het is daarom belangrijk de putters goed te onderhouden en ze goed neer te zetten wanneer u ze niet gebruikt. Ga dan ook niet uit frustratie uw putter weggooien wanneer een putt niet lukt.
  • Het clubblad van de putter is perfect recht. Het staat ook haaks ten opzichte van het doel.
  • De putter heeft twee tot drie graden loft.
  • Sommige fabrikanten maken ook putters met twee grips en langere shafts, voor meer controle over de putt. Dit is een goede oplossing voor wanneer u problemen heeft met de traditionele putter.
  • Globaal kunnen putters verdeeld worden in blade putters en mallet putters. De blade putter is rechthoekig gevormd en heeft meer rechte hoeken dan de mallet. Met de blade putters kunt u gemakkelijker richten, maar zodra u wat buiten het perfecte raakpunt slaat, zal de bal de hole veel sneller missen. Mallet putters zijn wat milder bij kleine misslagen. Zij hebben een grote en platte onderkant, de sole, en een ronde achterkant. Persoonlijke voorkeur bepaalt voor welke soort club u kiest, en ook wat goed aanvoelt wat betreft gewicht, balans en lengte van de stok.

Voor welke putter u ook kiest, u kunt het beste erbij blijven en daarmee zelfvertrouwen opbouwen. Keer op keer van putter veranderen heeft weinig zin. Een putter kan geen wonderen verrichten.

Putten: technieken

Omdat putten de laatste stap bij het spelen van een hole is, kan het het verschil maken tussen een perfecte of een slechte golfronde. Bij golf moet u de bal in zo min mogelijk aantal slagen in de hole krijgen. Uw putting technieken zijn daarbij zeker belangrijk. Het putten vereist techniek en veel oefening om het goed te kunnen beheersen. Behalve de technieken die nodig zijn voor de putting swing beheersen, moet u ook de green kunnen lezen. Dit helpt bij het bepalen hoe hard u moet slaan. U moet dan denken aan de windsnelheid en de windrichting, de lengte van het gras, de richting van de grassprieten en de helling van de green.

De speler die het verste van de hol af ligt met de bal mag altijd als eerste putten. Bent u niet de eerste, dan markeert u de plaats waar uw golfbal ligt met een marker en pakt u de bal op. Ligt uw marker in de weg voor degene die gaat putten, dan moet u deze wellicht verplaatsen. Dat doet u door de marker over een afstand van een clubhoofd te verplaatsen. Plaats hem wel van de hole af en er niet dichter naar toe. Heeft de ander zijn bal geslagen, dan plaats u de marker terug op de oude positie. Wanneer u dit vergeet, krijgt u twee strafslagen. Ligt de marker weer op z’n blek en moet u putten, dan legt u de bal iets voor de marker neer en schuift u daarna de marker onder de bal vandaan. U moet de marker ook weer oppakken.

Goed putten kan alleen als uw lichaam stil en ontspannen is. U gebruikt een swing met een slingerbeweging door alleen uw armen en uw schouders te gebruiken. Kunt maar moeilijk uw handen en polsen stabiel houden tijdens de golfslag, kies dan voor een long-shafted putter.
De volgende stappen zijn nodig om goed te kunnen putten. Doe het als oefening of op de green:

  • Putting grip. U pakt de club vast door een cross handed grip of een aangepaste overlapping grip, maar net wat voor u comfortabel voelt. Als u een speler bent waarbij de pols buigt als u de bal raakt, dan kunt u beter een cross-handed grip gebruiken.
  • De set-up is dat de bal in lijn met het midden van uw lichaam ligt. U kijkt dan naar beneden direct op de bal, met het linkeroog erboven. Om een constante rol van de bal te krijgen, moet u de bal 1/3 van de linkervoet en 2/3 van de rechtervoet neerleggen.
  • U moet uw armen vrij kunnen bewegen. Of u wat gebogen of rechtop staat tijdens het putten, bepaalt u zelf.
  • U moet de green kunnen lezen voor het bepalen met welke snelheid, richting en kracht u moet slaan.
  • Het diepste punt van de zwaaicirkel van het blad van de club ligt onder de linkeroksel. De bal op het diepste punt raken betekent een constante rol van de bal.
  • Putten doet u zoals een slinger van een oude klok. Beweeg de putter ongeveer 25 centimeter vanaf de bal, de backswing.
  • Sla dan de bal. Denk eraan dat hoe beter u de club recht van de bal naar achteren beweegt en dan in een rechte lijn naar voren slaat, hoe groter de kans is dat de bal in de richting van het doel gaat.
  • De downswing gaat vervolgens net zo als de backswing. Begon u 25 centimeter van de bal af, houd dan voor de downswing daarna ook 25 centimeter.
  • Wanneer verder alles gelijk is, zal de golfbal langer doorrollen bergafwaarts en eerder stoppen bergopwaarts.
  • Soms is het beter om te zorgen dat de bal goed komt te liggen dan te proberen de bal direct in de hole te krijgen.

Bij het putten is controle over de afstand belangrijk. Probeer als oefening verschillende zwaailengtes uit. Zo kunt u leren hoe ver de bal zal rollen bij een golfslag met een bepaalde lengte. Net als met andere sporten is het ook bij golf zo dat blijven oefenen het belangrijkste is voor succes. Combineer de tijd die u op de driving range doorbrengt met voldoende tijd op de oefengreen.

Putten: de green lezen op de golfbaan

De green lezen bestaat uit het bekijken en analyseren van de helling, van de grassoort en graslengte, de groeirichting van het gras, de windrichting en meer belangrijke dingen. Denk aan de ondergrond, of deze hard of zacht is en of het droog of nat is. U doet dit allemaal om de juiste richting en snelheid te geven aan een goede putt.

Het putten is een combinatie van een goede putting swing en een goede putt techniek. U moet weten waar u moet richten en wat de juiste snelheid moet zijn. Voordat u werkelijk de putter pakt en uw swing gaat maken, gaat u eerst een aantal zaken op de green lezen.

Helling

Bekijk de helling van de green, de glooiing ervan en alle oneffenheden die zich op de weg die de bal moet afleggen tot aan de hole bevinden. Bekijk ook het terrein eromheen. Door alles te bestuderen krijgt u een idee van waar de bal een andere richting kan krijgen en hoe de bal zal gaan rollen.

Graslengte op de green

Hoe korter het gras op de green, hoe sneller de golfbal zal gaan rollen.

Richting van het gras (grain)

Over het algemeen groeien de grassprietjes op de green dezelfde kant op. Dat komt door de zon, de waterafvoer, de maairichting en de voorkeurswindrichting. Wanneer u tegen de grasrichting in gaat putten, zal dat de bal vertragen. De golfbal gaat juist sneller rollen als u met de richting mee putt.

Conditie van de green

Bekijk hoe hard of zacht de grond van de green is. Hoe harder de green is, hoe sneller de bal zal gaan rollen. Zeker een natte green kan een golfbal ontzettend afremmen.

Grassoorten

Er zijn twee grassoorten voor de green: Bentgrass en Bermuda. De Bentgrass green is veel korter gemaaid dan een Bermuda green. De golfbal zal op de eerste green dus sneller rollen dan op de tweede. Bij Bentgrass is er geen grain, dus hoeft u ook niet te letten op de richting van de grassprieten. De Bermuda is een ruwe en zware grassoort en heeft veel grain. Deze grassoort wordt meestal in een vochtig klimaat gebruikt.

Windrichting

De wind heeft effect op de putt die u uitvoert. Komt de wind recht van voren, met 10 m/s of harder, dan komt de putt ongeveer 30 centimeter minder ver naar de hole. In dat geval moet u wat harder putten.