Mentuig

20 december 2010

Het tuig dat je nodig hebt voor het mennen, mentuig, bestaat uit veel verschillende onderdelen. Zo heb je een borsttuig of gareeltuig, de disselboom, het lamoen, het menhoofdstel, de rug- en staartriem, het schofttuig, de broek en natuurlijk de leidsels.

Borsttuig

Om het paard aan het rijtuig te bevestigen, kun je een borsttuig gebruiken. Het bestaat uit verschillende onderdelen:

  • Borstriem, de riem die om de borst van het paard ligt, ongeveer een handbreedte boven het borstbeen, en verschillende breedtes kan hebben. De breedte (maximaal 12 centimeter) is namelijk afhankelijk van de zwaarte van de last die getrokken moet worden. De borstriem loopt over in strengen, die richting het rijtuig lopen.
  • Borstring, de ring die vooraan de borstriem zit en waardoor de stopriem loopt
  • Stopriem, een riem die door de borstring naar boven naar de draagriem loopt
  • Strengen, de riemen die van de borstriem tot aan de zweng (beweegbaar onderdeel van het rijtuig) lopen. Er bestaan zowel doorlopende strengen als strengen die je zelf vast moet gespen.
  • Hals-en draagriem, een riem die net voor de schoft ligt. Hij voorkomt dat de borstriem verschuift en de ademhaling belemmert. Zorg er daarom voor dat je deze riem goed verstelt tot de goede ‘maat’ voor jouw paard.
  • Leidselsleutels, die je kunt bewegen

Gareeltuig

In plaats van een borsttuig kun je ook kiezen voor het gareeltuig. De druk wordt hierbij extra goed verdeeld over het paard, waardoor het dier extra hard kan trekken. Het grote verschil tussen het borsttuig en het gareeltuig is de verstelbaarheid. Een borsttuig kun je verstellen, een gareeltuig niet. Een gareel moet dus precies passen, anders loop je de kans dat je paard niet goed ademen!
Bij het gareeltuig maak je geen gebruik van de zweng, maar heb je zogenaamde paddenstoelen op je rijtuig nodig.
De onderdelen:

  • Gareelkussen
  • Gareelbeugel, een beugel die uit twee delen bestaat en in de sleuf van het gareel ligt. Hij wordt verbonden door de trompethaak en het gareelriempje.
  • Gareelriempje, de riem die de twee helften van de gareelbeugel aan de bovenkant verbindt
  • Trompethaak, de haak die de twee helften van de gareelbeugel aan de onderkant verbindt
  • Leidselring, de ring waar de leidsels doorheen lopen
  • Bevestiging voor trekkers, waaraan de korte trekkers worden vastgemaakt met strengkappen

Meestal wordt er bij een gareeltuig ook gebruik gemaakt van een springriem. Deze riem voorkomt, als het rijtuig achteruit rijdt, dat het gareel omhoog ‘springt’. Hij wordt bevestigd aan de trompethaak.

Disselboom

Om een tweespan of vierspan een wagen te laten trekken, wordt gebruik gemaakt van een disselboom. Dit is een balk van metaal of hout die tussen de twee paarden hangt, waardoor de dieren recht blijven lopen. Samen met de disselboom komen de disselriemen die aan de spinnekop bevestigd worden. Eventueel kan er ook gebruik gemaakt worden van een disselketting.

Lamoen

Het lamoen, een balk of frame dat meestal van roestvrij staal gemaakt is, wordt aan een zijde van de wagen vastgemaakt en zorgt ervoor dat, bij een enkelspan, het paard recht voor de wagen blijft lopen. Er bestaan lamoenen die uit één deel gemaakt zijn, maar ook lamoenen met twee beweegbare bomen.

Menhoofdstel

Bij het mennen wordt er een speciaal hoofdstel gebruikt. Het lijkt op een normaal hoofdstel, maar heeft wat speciale onderdelen:

  • Rozet, zet de frontriem vast aan het kopstuk
  • Oogkleppen, om te voorkomen dat het dier schrikt van dingen die achter hem gebeuren. Het paard moet er niet onderdoor kunnen kijken. Er bestaan vierkante, ronde en halfronde oogkleppen. Bij de halfronde kan het paard wel zijwaarts kijken. Ze worden vastgemaakt met een windriempje.
  • Windriempje, het riempje dat de oogkleppen op de goede plaats houdt. Aan beide kleppen zit er een, die naar boven lopen en met een stoot worden verbonden. De stoot wordt vastgemaakt aan het kopstuk met een gesp.

Schofttuig

Om de lamoenen of boom in te hangen, bestaat er een tuig dat als een singel om het paard ligt, het schofttuig. Ook dit tuig bestaat weer uit verschillende onderdelen:

  • schoftkussens
  • kamer
  • leidselsleutel
  • ring voor rugriem
  • buitensingel (+ stoot)
  • binnensingel (+ stoot)

Broek

De broek is een riem die om de achterhand van het paard ligt. Hij voorkomt dat de kar tegen de hakken van het paard aan komt tijdens het afdalen. De leren riem loopt achter het paard langs, en heeft aan de uiteinden een ring zitten. Hieraan zitten de broekriem, die wordt bevestigd aan het lamoen, en de kruisriem, die de broek op de goede hoogte houdt.

Rug- en staartriem

Deze riem, die bestaat uit een rugriem en een staartriem, zorgt ervoor dat het schofttuig op de goede plek blijft liggen. Ook wordt de broek eraan bevestigd.
De rugriem is verstelbaar en heeft daarom een paar passanten waar de stoot onder kan worden gestopt. Aan het andere uiteinde van de rugriem zit de staartriem, ook wel culeron genoemd, die om de staart komt te liggen.

Leidsels

De leidsels worden gebruikt om het paard te sturen. Ze lopen helemaal van de bitringen naar de handen van de menner. Het leer moet van zeer goede kwaliteit zijn, om ongelukken te voorkomen.

Poepzak

Tijdens het mennen kan eventueel gebruik worden gemaakt van een poepzak. Deze wordt onder het paard gehangen en vangt de mest op.