Groundstroke

2 maart 2018

Er zijn twee groundstrokes te onderscheiden in tennis: de forehand en de backhand. Dit zijn de basisslagen van de sport. Ze worden gebruikt om een rally op te bouwen en om druk te zetten vanuit het achterveld door de bal hard en diep in het veld van de tegenstander te spelen. Daardoor kan je een kortere bal van je tegenstander afdwingen om vervolgens de bal makkelijker af te maken. De groundstrokes zijn de belangrijkste slagen in de tennis. Het is noodzakelijk dat je de slagen beheerst om de sport goed te kunnen beoefenen. Een forehand of backhand sla je dus vanuit het achterveld, rond de baseline, en je laat de bal altijd eerst stuiten voordat je de bal slaat. Tennissers die veel vanuit het achterveld spelen worden ook wel baseliners genoemd. Over het algemeen speelt het grootste gedeelte van de tennisspelers vanuit achteruit.

Vroeger/ nu

Vroeger was het wat minder belangrijk om de basisslagen goed te beheersen dan nu. Spelers met mindere groundstrokes liepen dan vaker op naar het net om daar een volley te spelen. Maar omdat de sport zelf nu sneller is geworden en er harder tegen de bal wordt geslagen is er nu minder tijd om op te lopen naar het net, waardoor het punt vaak vanuit achteruit wordt uitgespeeld. Daarom hebben veel van de huidige wereldtoppers goede en harde groundstrokeswaarmee ze veel druk kunnen zetten en ook weinig fouten mee maken. Ze beheersen daarnaast natuurlijk ook alle andere slagen als de volley, smash en service, maar de basisslagen zijn vaak het best.

Bekende baseliners

Roger Federer, Rafaël Nadal en Novak Djokovic zijn voorbeelden van top-tien spelers met heel goede groundstrokes. Ze kunnen ermee aanvallen, verdedigen, druk zetten, versnellen, vertragen, en het belangrijkste: ze maken er nauwelijks fouten mee. Bij de dames zijn Kim Clijsters, Serena Williams en Justine Henin voorbeelden van topspeelsters met vooral goede basisslagen.