Koers houden regelen van je zeilstanden

24 januari 2018

De koers die je vaart heeft te maken met de stand van je zeilen en de richting van de wind. Er bestaan verschillende soorten koersen.

Hoog aan de wind

Bijna tegen de wind in. Je hebt je zeilen zo strak mogelijk. Op deze koers ga je het schuinst en het minst hard. Het ziet er heel spectaculair uit, omdat je bij harde wind buitenboord moet hangen om de boot recht te houden. Er zijn hangbanden in bijna iedere boot om je voeten onder te doen zodat je met je billen buitenboord kunt hangen. Sommige boten hebben zelfs een trapeze. Je staat dan eigenlijk op de rand terwijl je aan een kabel hangt.

Bij wedstrijd zeilenis het belangrijk dat je met overstag niet veel tijd en snelheid verliest en dat de koers niet heel erg verandert. Daarom kun je in de kleinere boten, zoals laser pico en splash je gewicht goed gebruiken om overstag te gaan. Overstag gaan is van (hoog) aan de wind naar (hoog) aan de wind gaan door door de wind te draaien. Het beste kun je zo hoog mogelijk gaan varen en naar voren leunen terwijl je het roer een beetje van je af doet. Door het gewicht aan de lei-zijde van de boot te plaatsen loef je op. In combinatie met het roer die ook zorgt dat je oploeft, wend je sneller. Als je dan het gewicht weer naar loef-zijde verplaatst pomp je het zeil als het ware over. Probeer het roer wel meteen weer recht te doen als je overstag bent gegaan.

Aan de windHetzelfde als hoog aan de wind, alleen ga je sneller doordat je iets meer wind vangt en dus het zeil wat losser hebt.

Halve wind

De wind komt van de zijkant. Je hebt het zeil half uit. Om sneller te gaan kun je het zwaardje er half uit halen.

Ruime wind

Koers tussen halve wind en voor de wind in. Je kunt het zeil uit doen en het zwaard ook omhoog.

Voor de wind

De wind komt precies van achter. Je probeert het zeil zo ver mogelijk uit te doen. Als je een fok hebt en je precies voor de wind vaart kun je de fok aan de andere kant doen. Het grootzeil neemt anders de meeste wind uit het zeil van de fok weg. Voor de wind kun je het snelst planeren. Als je het zwaard omhoog doet, iets meer naar achter gaat leunen en recht blijft sturen, schiet je het water over. Als je zorgt dat je boot een hellingshoek van rond de 30* heeft ga je nog sneller. Sommige boten bezitten over een gennaker of spinnaker. Die zorgen dat je de wind maximaal benut.

Met wedstrijd zeilen is het ook belangrijk dat je snel gijpt. Je kunt de giek sneller overlaten komen door het roer naar je toe te doen (aftevallen) en tegelijkertijd naar achter te leunen. Door het gewicht aan de loef-zijde val je af. In combinatie met je roer gebeurt het sneller.

De meeste grotere boten hebben een windvaantje waardoor je weet waar de wind vandaan komt en hoe je je zeilen het beste kunt doen. Als je die niet hebt kun je nog steeds weten hoe je zeilen moeten door:

  • Te kijken naar golfjes in het water
  • Je zeilen zo los mogelijk te doen. Als je ziet dat het voorlijk gaat killen (klapperen) trek je het zeil weer aan.
  • Sommige boten hebben lijntjes in het zeil zitten. Als je die hebt, weet je dat het zeil goed staat als het lijntje horizontaal is.

Je kunt je zeilen over stuurboord of bakboord hebben. Stuurboord geeft voorrang aan bakboord. Als twee boten elkaar allebei over bakboord kruizen dan heeft de boot die het hoogste aan de wind vaart voorrang.