Zeilterminologie

5 maart 2018

Zeilterminologie is de taal van het zeilen. Zo kun je de meeste zinnetjes met één woord zeggen. Bekijk hier de terminologie van het zeilen.

  • Afvallen: Van de wind af draaien.
  • Oploeven: Naar de wind toe draaien.
  • Bakboord: Linker kant van de boot als je naar de punt kijkt.
  • Stuurboord: Rechter kant van de boot als je naar de punt kijkt.
  • Gijpen: Het grootzeil overzetten als je voor de wind gaat.
  • Overstag: Met de voorkant van de boot door de wind draaien, zodat de zeilen over de andere zijde van de boot komen te staan.
  • Hogerwal: De wal waar de wind vanaf waait. Meestal moet je opkruisen om hoger wal te bereiken.
  • Lagerwal: De wal waar de wind naartoe waait. Met sterke wind kan het moeilijk zijn weer weg te komen doordat je terug moet opkruisen en de stroming sterk kan zijn.
  • Lijzijde: De lage kant van de boot, de kant waar de wind naartoe waait.
  • Loefzijde: De hoge kant van de boot, de kant waar de wind vandaan komt.
  • Opschieten: Een lijn met de hand in grote lussen oprollen zonder dat de lijnen gedraaid komen te zitten.
  • Opkruisen: Afwisselend over beide boegen hoog aan de wind zeilen. (laveren)
  • Reven: Oppervlakte van het zeil kleiner maken door middel van reeflijntjes.
  • Verlijeren: Zijwaarts geblazen worden.
  • Vieren: Het losser zetten van schoot en zeil.