Skutsje

22 oktober 2010

Skûtsje is de oorspronkelijke Friese benaming voor een tjalkachtig schip bestemd voor de vrachtvaart onder zeil, met name gebouwd in Frysln voor de noordelijke binnenwateren. Oorspronkelijk was het de benaming voor een veerscheepje van zo’n 10 tot 14 meter en een laadvermogen van 10 tot 20 ton. Deze skûtsjes onderhielden meestal een vaste dienst tussen een dorp van herkomst en een bepaalde stad of een aantal steden waar een belangrijke markt was, zoals in Leeuwarden, Sneek en Bolsward.

Deze vroegere skûtsjes verschilden op een aantal belangrijke punten van de onze. Ze hadden een ronde luikenkap in plaats van de tegenwoordige platte, ze hadden een stuurkuip (bollestl) in plaats van ‘ons’ vaste achterdek en tenslotte hadden ze een zgn. vissermansroer: de helmstok viel over de kop van het roer en die kop stak boven de achtersteven uit. Het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen bezit nog het oude beurtschip ‘Hoop op Zegen’ [S 1166 N] van it Heidenskip dat in 1904 bij Wildschut in Gaastmeer is gebouwd voor Wiebe de Jong. Het is ook bekend als ‘it Blommeskip‘.

Na 1900 werden de ‘kleine en oude’ skûtsjes langer, ze konden dus meer vracht meenemen (dit varieerde van zo’n 15 tot 35 ton), maar wat veel belangrijker was: ze werden voorzien van een vast achterdek, een gewoon tjalkenroer en een platte luikenkap. Zo was het huidige ‘nieuwe’ skûtsje geboren. De naam werd nu algemeen gebruikt voor grotere schepen, tot ongeveer 55 ton, rond 20 meter lengte en 4 meter breedte. De holte werd beperkt, tot maximaal 1,28 m.

Historie

Skûtsjes werden gebouwd vanaf de 18e eeuw tot ongeveer 1930.

In het begin werden er alleen skûtsjes van hout gebouwd maar later werden er ook skûtsje van ijzer gebouwd. De meeste houten skûtsjes zijn nu verrot maar sommige stalen skûtsjes zijn nog overgebleven. De meeste mensen denken dat skûtsjes voornamelijk zeilde maar het tegendeel is waar. Omdat de schepen nog al zwaar beladen waren en dus niet scheef mochten gaan werd er bij te harde wind al niet gezeild. Ook moest de koers geschikt zijn om te zeilen. In de meeste gevallen werd er dus gejaagd (trekken van de boot). Later kreeg je opdrukkers die de boot vooruit duwden en schepen met hulp motor.

De tijd voor sktsjeskippers was erg hard. Ze waren altijd buiten verdienden slecht en moesten hard werken om rond te komen. Meestal hadden deze mensen een groot gezin en woonden met zijn allen in een kleine ruimte genaamd de roef. Meestal waren zij ook niet de eigenaar van de boot en werd het schip in opdracht van een rijke boer gebouwd en waren ze zetschipper.

Sktsjes zijn in de jaren 1889-1933 in zgn. staalijzer gebouwd voor de beurt- en vrachtvaart op vaarten, kanalen en op de grote meren in de Zuidwesthoek. Maar ook op de Zuiderzee werd er mee gevaren. Na 1950 is een groot aantal tot jacht verbouwd door de luikenkap te vervangen door een kajuitopbouw.

Tegenwoordig

Tegenwoordig is het leven op een skûtsje heel anders en worden ze niet meer gebruikt voor vrachtvervoer. De meeste schepen worden gebruikt voor de chartervaart maar er zijn ook enkele die meedoen met het befaamde skûtsjesilen. Hiervoor wordt er veel geld in de schepen gestopt om er echte wedstrijd schepen van te maken. Er zijn bij het skûtsjesilen 2 belangrijke groepen namelijk de IFKS en de SKS, beide organiseren wedstrijden.

Kenmerken van een skûtsje

Een skûtsje werd gebouwd op een Friese werf en de bouw duurde meestal 3 maanden. In het begin zijn alle skûtsje van hout gemaakt maar later van ijzer. In het begin van de ijzerbouw werd alles koud geklonken maar later gebeurde dat warm. Een kenmerk van een skûtsje is dat het een platbodem is. In verhouding met de Groningse tjalken hebben de skûtsje ook meer zeeg wat betekend dat de kop en de kont geleidelijk het water in- en uitgaan.