Tjalk

22 oktober 2010

De tjalk is een historisch zeilend vrachtschip voor de binnenwateren. De naam werd in de 17e eeuw voor het eerst gebruikt om schepen met ronde boeg aan te duiden. Dit scheepstype kent vele uitvoeringen.

Kenmerken

De tjalk is lang, smal en ondiep van bouw, als een afgeronde doos. Verder heeft hij een volle ronde boeg en ronde kimmen. Op een paar uitzonderingen na hadden tjalken n mast. Ze voerden een gaffeltuig en waren voorzien van zijzwaarden. Tjalken werden aanvankelijk van hout gebouwd, later van ijzer en nog later van staal. In latere jaren werden ze ook voorzien van mechanische voortstuwing. Door soms sterke verschillen in uiterlijk, uitvoering, herkomst en gebruik, kregen tjalken vaak een daaraan verbonden naam. Voorbeelden zijn:

  • Paviljoentjalk, naar het uiterlijk
  • Koftjalk, naar de uitvoering
  • Groninger tjalk, naar de herkomst
  • Beurttjalk, naar gebruik

Historie

De tjalk is zowel in hout als in staal/ijzer gebouwd. Het model van de tjalk is al eeuwen geleden ontstaan, ook de term tjalk is al eeuwen oud. In de loop der tijden is er echter het nodige veranderd en verschillende ‘deskundigen’ zijn het dan ook niet met elkaar eens wat nu wel of niet als voorvader van de ‘hedendaagse’ tjalk aangemerkt moet worden. Het huidige model is in de loop van de negentiende eeuw ontstaan. Oorspronkelijk was het een houten schip, maar bij de overgang naar ijzer en staal, traden er echter duidelijke veranderingen op. De houten tjalken waren over het algemeen wat hoekiger, wat kleiner en wat lager. De meeste waren platbodems met een hoekige kim, in staal werden het rondbodems met een ronde kim. De houten tjalken waren flink wat kleiner dan de laatst gebouwde stalen exemplaren. Een kleine houten tjalk mat slechts 10 ton, een middelgrote 20 ton en grote zeegaande zo’n 40 ton. De laatste grote stalen tjalken waren bijna allemaal meer dan 100 ton. Van de houten tjalken is er geeneen bewaard gebleven. Tot op heden heb ik nog niet genoeg informatie over houten tjalken kunnen vergaren om daarvan een redelijke beschrijving te kunnen geven.

Verspreidingsgebied

De tjalk was algemeen en kwam voor in een gebied dat zich uitstrekte van de Oostzee tot Noord-Frankrijk en Engeland. Het was zeker in de 18e en 19e eeuw in de Nederlanden het werkpaard en manusje-van-alles van het transport op het water. Met de grotere exemplaren werd ook kustvaart bedreven.

Heden ten dage zijn er in Nederland nog een groot aantal, hoofdzakelijk in ijzer (puddelijzer of brsiser) en staal gebouwde tjalken aanwezig. Bij de neergang van de zeilvaart zijn de grootste tjalken omgebouwd tot motorvrachtschip. De kleinste zijn vaak gesloopt en de middenmoot is vaak onherkenbaar omgebouwd tot woonboot. De laatste tientallen jaren worden vele woonschepen teruggebouwd en vaak mooi gerestaureerd tot pleziervaartuig of charterschip.

Soorten en Types

  • Beurttjalk: Een tjalk in gebruik voor de beurtvaart, wat inhoudt dat het schip volgens een vaste dienstregeling tussen twee of meer plaatsen voer.
  • Boltjalk: Een lichte, in ijzer gebouwde tjalk, met een ronde kop (geen zichtbare stevens) in plaats van ronde boegen. Boltjalken werden vooral rond Groningen gebruikt.
  • Dektjalk: Een tjalk zonder roef of paviljoen. Het woongedeelte was onderdeks. Deze tjalken werden hoofdzakelijk in de noordelijke provincies gebouwd. Daardoor hebben de meeste dektjalken een Groninger of Friese bouwwijze.
  • Friese tjalk: Tjalk, meestal tussen de 80 en 140 ton voor de algemene vaart (kanalen, rivieren, Zuiderzee, Wadden en de Zeeuwse stromen). Wat sierlijker gebouwd dan meeste Groninger tjalken. Bij ledig schip daarvan te onderscheiden door de aanwezigheid van twee gangen onder het berghout. (Alhoewel het regelmatig gebeurt is het fout om een sktsje een Friese tjalk te noemen.)
  • Hektjalk: Een oud type tjalk waarbij het boeisel achter boven de berghouten omhoog doorloopt en een driehoek vormt (het hennengat) waardoor het helmhout loopt. Er bestaan nog maar twee exemplaren van: de “Vier Gebroeders”, die eigendom is van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen, en de voormalige “Twee Gebroeders”, nu in de zeilende passagiersvaart actief onder de naam “L’Arche de No”.
  • Hollandse tjalk: Deze voornamelijk te Woubrugge gebouwde tjalk heeft net als de Friese tjalk smalle huidgangen die in een kleine hoek bij de stevens samenkomen. De berghouten komen horizontaal tegen de stevens en geven dit type zijn eigen aanzicht.
  • IJsseltjalk: Een variatie op de paviljoentjalk. Zoals de naam al doet vermoeden, werden ijsseltjalken vooral rond de Hollandse IJssel gebouwd en gebruikt. IJsseltjalken waren betrekkelijk brede schepen met lage kruiplijn. Ze werden vooral gebruikt voor zand- en grindvervoer bij de baggerwerken op de IJssel. De laatste ijsseltjalk, de Maartje Neeltje, werd in 1916 in Capelle aan den IJssel gebouwd.
  • Koftjalk: Een in Groningen gebouwde tjalk voor de Wadden- en Sontvaart die echter een scherp (S-vormig) achter onderwaterschip hadden en een smallere en hogere kielplank. Kenmerkend is ook de voorsteven die als een schoenersteven naar voren uitgebouwd is en waarop de boegspriet rust.
  • Paviljoentjalk: Een tjalk met een verhoogd achterdek waaronder zich de schipperswoning bevond. Over dit achterdek strekt de opvallend lange helmstok. Deze schepen werden voornamelijk in Zuid-Holland gebouwd.
  • Skutsje: In Friesland gebouwde tjalk met een maximumlengte van 20 meter, bestemd voor zeilend vrachtvervoer op het binnenwater.